24 maart 2020 – Een quarantainevriend

24 maart 2020 – Een quarantainevriend

24 maart 2020

Vandaag of gisteren – ik merk dat ik in deze tijden de tijd en de dagen kwijtraak; ik weet niet meer wat op welke dag precies gebeurde en het voelt een beetje als de vakanties op de resorts in Griekenland en Turkije – kwam mijn moeder met het idee een soort dagboek bij te houden, in deze tijd van quarantaine.

Ik houd al wel een boekje bij (One line a day, waarin er voor elke dag van de komende vijf jaar een paar regels staan waarop ik herinneringen en gebeurtenissen kan schrijven), maar wellicht was het een goed idee om een corona-schrift te maken, om wat uitgebreider op gedachtes, gevoelens en gebeurtenissen in de wereld in te gaan, zodat ik later accuraat kan teruglezen over maatschappelijke ontwikkelingen en hoe ik me daarbij voel. Mijn pogingen tot het bijhouden van een dagboek in het verleden hebben echter nooit echt goed uitgepakt. Ik stopte vaak al na enkele weken – en soms zelfs dagen. Nu zit ik echter constant binnen en is er weinig te doen, dus misschien dat ik het nu wel volhoud.

Ook ben ik van plan het dagboek – althans, de delen die ik kwijt wil – op deze blog te posten, voor degenen die geïnteresseerd zijn, voor degenen die niets te doen hebben of snakken naar de ervaringen van een ander in deze rare tijd. Ik hoop hiermee iemand te kunnen zijn aan wie je je kunt relateren, door wie je even kunt ontsnappen aan de muren van je eigen huis, aan wiens gedachten je iets hebt, op welke manier dan ook. Ik ben er: je virtuele quarantainevriend.

Volgens mij heb ik dit dagboek voldoende geïntroduceerd, laten we nu overschakelen op de inhoud.

Op 31 december werd bekend dat China veel mensen had opgenomen als gevolg van een toen nog onbekend virus. In de loop van de maand januari werd bekend dat het ging om een nieuw coronavirus, vooral in de buurt van Wuhan. Voor mijn gevoel kwam het pas vaker in het nieuws toen ik tussen 19 en 30 januari in Oostenrijk zat. Misschien is dat doordat dat echt zo was, of doordat ik in januari iets anders aan mijn hoofd had.

Ik kan me niet zo goed herinneren wat ik dacht toen ik in Oostenrijk op het nieuws zag dat er 100, 200, 500, 1000, 5000 besmettingen en een lager groeiend aantal doden was. Waarschijnlijk dacht ik in het begin dat het zomaar een klein nieuwsbericht was, dat het binnen een week – een maand, hoogstens – alweer vergeten zou zijn, zoals zo goed als elk beetje nieuws. Pas toen het aantal besmettingen bleef groeien en Wuhan dicht ging, begreep ik dat het serieuzer was dan ik dacht. Ik herinner me een reportage van de NOS: een verslaggever op de lege straten van Wuhan, die werd aangesproken door de politie. Oké, dit was echt. Dat wil echter niet zeggen dat ik me zorgen maakte en al helemaal niet dat ik de impact van dit virus begreep.

Langzaam verspreidde het virus zich; dus kwam het ook naar Europa. Italië was het eerste en vooralsnog heftigst getroffen slachtoffer. Dat betekende uiteraard dat het onvermijdelijk was dat het virus ook naar Nederland zou komen: het was op wereldtour en zou ook ons landje niet overslaan. Ik kan me nog precies herinneren welke dag het was en waar ik me bevond toen ik het hoorde. Het was ’s avonds, 27 februari en ik was in Utrecht bij een poetry slam, georganiseerd door mijn studievereniging. ‘Corona is in NL’ was het appje dat ik kreeg en ik herinner me dat ik ineens heel bewust was van alles dat ik aanraakte, van de deurknoppen tot de stoelen in de trein op de weg terug naar huis. Ineens had ik het gevoel dat alles besmet was.

Als ik nu teruglees in mijn One line a day-boekje sijpelt er zo goed als geen paniek door de pagina’s: ik hield me vast aan mijn vaste routine. Ik ging naar de uni, ging pokeren en spelletjes spelen met mijn vrienden en ging naar de activiteiten van mijn studievereniging. Het enige dat anders was, was dat ik vaker mijn handen waste en zoveel mogelijk van mijn gezicht afbleef.

Toch leek ik nog niet echt onder de indruk van het virus te zijn. In een app-gesprek met mijn vrienden heb ik in het begin gezegd dat ik gewoon door zou gaan met mijn leven, ook al zou ik het virus hebben. Ik zei dat het maar een griepje was en dat ik er op mijn 21-jarige leeftijd waarschijnlijk toch niet aan zou overlijden. Ik zie nu in hoe achterlijk ik was en ik zou de Mike van enkele weken geleden graag een trap tussen zijn benen geven.

Twee weken na het uitbreken van het virus in Nederland, op 11 maart, waren er 500 geregistreerde besmettingen in ons land. Er begon onrust te ontstaan onder de mensen, maar ik ging die avond tóch naar een pokertoernooi in Dordrecht, waar zo’n 120 mensen aan meededen.

En jawel, een dag later kwam de overheid met de eerste maatregelen: geen bijeenkomsten van meer dan honderd personen, blijf thuis met klachten, werk vanuit huis, online onderwijs voor hogescholen en universiteiten. Dit gold tot 31 maart. Als ditzelfde advies een dag eerder was uitgebracht, zou ik nooit zijn gaan pokeren. Ik begon me af te vragen of het wel slim was om de vorige dag naar dat toernooi te gaan. Ik begon aan mezelf te twijfelen.

Voor mij betekende de maatregelen vooral dat ik de komende tijd niet naar Utrecht zou hoeven en mijn studie vanuit huis zou doen. Nog een dag later kreeg ik van de universiteit te horen dat de uni tot 20 april – het einde van het blok – dicht zou gaan. Ik vond dat prima. Niet omdat ik per se blij was dat ik niet meer naar Utrecht hoefde, dat vond ik zelfs jammer: ik zou mijn Utrechtse vrienden voor meer dan een maand niet zien. Toch vond ik het prima, omdat het voor mij niet uitmaakte of ik de studie thuis of in Utrecht zou doen, als ik maar kon slagen.

Op 15 maart werden de maatregelen aangescherpt (dit is nog maar negen dagen geleden, maar het voelt als een eeuwigheid). De scholen en verblijven gingen dicht tot 6 april, al het onderwijs op afstand, alle horeca dicht tot 6 april, iedereen houdt anderhalve meter afstand van elkaar, plus alle vorige maatregelen.

Ik weet niet of ik me schuldig moet voelen over het feit dat ik een dag eerder met keelpijn naar mijn werk ben gegaan. Verder voelde ik me prima en enkele dagen later was de keelpijn reeds weg.

Op 20 maart besloot ik na zes dagen zonder buitenlucht dat het tijd was voor een frisse neus. Ik ging de straat op, appte twee vrienden en samen gingen we aan de wandel door het park en naar de supermarkt, voor een saucijzenbroodje. Hoewel we hebben geprobeerd om niet te dicht bij elkaar te lopen weet ik niet of het is gelukt om constant de anderhalve meter aan te houden.

Ik vertel het bovenstaande omdat ik heb besloten eerlijk te zijn en het niet onterecht te laten lijken dat ik een engeltje ben. Ook vertel ik het bovenstaande om te laten zien hoe snel je je niet aan de regels kunt houden. Het is enorm makkelijk om te zeggen: ‘ah joh, het gaat wel, het kan geen kwaad’ en daarmee tegen de maatregelen in te gaan, wat er uiteindelijk misschien wel toe kan leiden dat iemand van de risicogroep die je onbewust hebt besmet komt te overlijden. Er breken steeds meer mensen en gezinnen door de mensen die denken dat ‘het geen kwaad kan’.

Het lukte wel meer mensen niet om zich aan de maatregelen te houden. In supermarkten, winkels, parken en stranden zochten te veel mensen de buitenlucht op. Dit alles is natuurlijk geen excuus, maar dit resulteerde er echter in dat de overheid op maandag 23 maart een ‘intelligente lockdown’ instelde: blijf thuis en verlaat alleen uw huis als u niet thuis kunt werken, voor boodschappen of om voor anderen te zorgen. Houdt anderhalve meter afstand. Alle bijeenkomsten (ook met minder dan honderd mensen) worden verboden. Winkels en OV moeten maatregelen nemen, anders komen er boetes van €4.000,-. Groepen van drie of meer personen worden gehandhaafd en burgemeesters kunnen locaties aanwijzen waar groepsvorming verboden is. Het overtreden van de regels kan leiden tot boetes van €400,-. Dit geldt tot 1 juni.

De kern: BLIJF THUIS.

We zijn nu een dag verder. Wat is de situatie? Ik zit thuis en schrijf in dit schrift, waarschijnlijk voor de komende paar maanden of misschien zelfs het komende jaar (al zal het tegen die tijd wel een nieuw schrift zijn, aangezien deze dan hoogstwaarschijnlijk vol is). Er zijn vragen die door mijn hoofd spoken. Hoe ga ik over enkele maanden mijn diploma ontvangen? Ga ik hem überhaupt kunnen halen? Hoe gaat de zomervakantie eruitzien? Waar gaat dit stoppen? Gaat dit überhaupt stoppen? Hoe groot zal het deel van mijn jongvolwassenheid zijn dat ik zal doorbrengen in quarantaine? Er zijn nog veel meer vragen, maar volgens mij begrijp je de strekking wel.

De komende tijd zal ik dus thuis doorbrengen. Studerend, schrijvend, pratend met vrienden online. Zoals het er nu naar uitziet moet ik zaterdag gewoon werken, al weet ik niet hoe lang het nog zal duren voordat dat gaat veranderen.

Hoe is de situatie om me heen? Raar, vooral. Alle uitzendingen op t.v. zijn zonder publiek; de laatste paar uitzendingen van DWDD zullen voor altijd de boeken ingaan als ‘die zonder publiek, tijdens corona’. In de supermarkten en andere winkels staan grote plastic schermen bij de balies en kassa’s en met lint en tape wordt de anderhalve meter aangegeven. Dat is hoe het staat met de maatschappij: het sociale leven ligt plat en het is ongelooflijk dat er op een planeet met zoveel mensen erop de straten zó stil kunnen zijn.

Er rest ons de komende dagen, weken of maanden dus weinig dan thuis te blijven, te leren, te schrijven, te lezen, series te bingen of welke andere hobby dan ook uit te oefenen, tot alles weer over is.

We moeten dit samen doen. Blijf thuis. Des te fijner zijn de handdrukken, de knuffels en het sociaal en lichamelijk contact als alle sloten weer van de deuren mogen.

– M.J.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *