Het einde van de wereld: de aarde als vuilnisbelt, met de mens als afval

Het einde van de wereld: de aarde als vuilnisbelt, met de mens als afval

Het einde van de wereld is meerdere malen voorspeld, maar nog geen enkele keer zijn deze voorspellingen uitgekomen. Toch lijkt de wereld er steeds slechter aan toe te zijn. Luchtvervuiling, overpopulatie, ontbossing, watervervuiling, klimaatverandering en kernafval zijn allerlei redenen om eens goed na te denken over ons planeetje. www.aftermathmag.org heeft een schrijfwedstrijd georganiseerd, om ‘het einde van de wereld’ onder de aandacht te brengen. Dit is mijn inzending: Het laatste kind.

Het laatste kind

Terwijl de oude man de deur achter zich sloot, trok hij het gasmasker van zijn hoofd. Hij liep naar de keuken, haalde een doosje lucifers tevoorschijn en stak de kaarsen aan, die door het hele huis verspreid stonden.

De avond was al gevallen, buiten was het donker. Niet dat het overdag wél licht was; de man had alle ramen uit zijn huis laten verwijderen. Ze waren zinloos, er was geen zonlicht meer om de kamers te verlichten. De oude man kon zich de laatste keer dat hij de zon zag niet meer herinneren. De wereld keek constant tegen een dak van grijze wolken aan. God, wat snakte hij naar zonlicht, al was het maar één simpel straaltje. Eén straaltje gele hoop.

Na de laatste kaars te hebben aangestoken blies de oude man de lucifer uit en liep naar de keuken. Hier trok hij een luik open en verdween in de kelder. Met een glazen fles water kwam hij terug. De flessen moesten onder de grond worden bewaard, daar bleef het koud. Koelkasten waren verboden.

Ook had de overheid alle televisies laten verwijderen. De wetenschap had niet aan kunnen tonen of ze daadwerkelijk slecht waren voor het milieu, maar ze wilden het zekere voor het onzekere nemen. Alles waarvan ze dachten dat het misschien iets dodelijks uit zou kunnen stoten, al was het maar straling, werd verboden.

Enkele jaren geleden had de wereld een achteruitgang gezien. Moeder natuur had het duizenden, miljoenen jaren volgehouden, maar de mensen waren haar te sterk geworden. De aarde had opgegeven, een middelvinger naar ze opgestoken. Nu wisten de miljoenen poppetjes op de aardbol niet hoe snel ze hun rotzooi terug moesten draaien.

Alle auto’s werden vernietigd. Aardgas werd terug de grond ingepompt. Mijnen werden volgegooid met aarde en gesteente. Zelfs de stopcontacten (en dus de telefoons en alles wat van elektriciteit moest leven) werden ter dood veroordeeld. ‘Terug naar het begin,’ was de slogan.

De oude man twijfelde of men ooit nog een nieuw begin mee zou mogen maken. Op de salontafel had hij een kanarie staan. Dagelijks voedde hij het beestje en iedere dag dat de man uit bed opstond hoopte hij dat hij van zijn stokje was gevallen. Het was tijd, vond hij.

Maar de kanarie bleef staan en het leven ging door, voor zover leven nog mogelijk was. De oude man pakte een boek van tafel en begon bij het licht van een kaars te lezen, net zolang tot hij op de bank in slaap viel. Het kon bijna niet anders dan dat hij droomde: er stond een brede glimlach op zijn gezicht.

 

De volgende ochtend at hij zijn ontbijt, nam een douche, kleedde zich aan, zette zijn gasmasker op en vertrok. Niet naar zijn werk, niet omdat hij met vrienden had afgesproken, niet voor de frisse lucht, maar omdat er niets anders was. Er bestond geen werk, er bestonden geen vrienden, er bestond geen frisse lucht. Het enige wat nog bestond was de overheid en haar landgoed.

Toen hij de deur uitstapte werd hij begroet door de donkere ochtendwolken. Overdag waren ze altijd iets lichter, waarschijnlijk doordat aan de andere kant van de grijze muur de zon zijn best deed door te breken, maar zoals iedereen wist was hem dat al lang niet meer gelukt.

Er hing een dikke mist, maar hij was niet vochtig, niet wit. Hij voelde warm en dik, soms was het alsof hij over de bodem van een diepe oceaan liep. De aarde verdronk.

Toch ging hij iedere dag weer de deur uit. Hij wist niet zo goed waarom. De overheid had iedereen aangeraden om binnen te blijven. Buiten was het niet meer veilig, zelfs niet mét gasmasker op. Alleen voor noodgevallen. De oude man vond het ironisch: dan staat je huis in de fik, vlucht je naar buiten voor de rook en word je daar vermoord door de vervuilde lucht. Vluchten zonder gasmasker was zelfmoord plegen. Alleen bij noodgevallen raadde de overheid zelfmoord aan. Anders lekker binnen blijven. In de buitenlucht was het volk de aarde, met gasmasker als ozonlaag.

De gezinnen gehoorzaamden; ze bleven allemaal thuis. Voedsel kregen ze wekelijks van de overheid, die dit met een busje rondbracht. Ze verbraken hun eigen wet. Ze hadden het wetboek beter kunnen veranderen: ‘Alle auto’s zijn verboden, behalve als het ons uitkomt.’

Hoe de overheid aan dit voedsel kwam wist niemand. Niemand vroeg ernaar, niemand had de mogelijkheid ernaar te vragen. Toch moest iedereen het gevoel hebben dat er ergens op de aarde iets gebeurde wat niet helemaal ethisch verantwoord was. Niemand had werk, dus er was niemand om te oogsten, of om voor vlees te zorgen. Er werden geen vragen gesteld; ze kregen te eten.

Dus de oude man liep doelloos door een lege stad. Flats die vroeger glansrijk stonden te pronken aan de skyline werden verwaarloosd en waren gedegradeerd tot stoffige staafjes. Ruiten waren gebroken, deuren lagen uit hun voegen, onkruid op de drempel. Publieke huizen waren ingestort, op straat lagen de brokstukken. De aarde was een vuilnisbelt geworden, met de slimste diersoort als afval.

Zich een weg banend door de gevallen dakkapellen, glasscherven en kuilen in het asfalt kwam hij uiteindelijk uit bij een speeltuin. De glijbaan was omgevallen en er ontbraken stangen uit het klimrek. De schommel stond verbazingwekkend genoeg nog overeind.

En… zag de oude man dat goed? Bewoog de schommel? Of beter: zat er iemand op? Hij veegde restjes stof van zijn masker, kneep zijn ogen tot spleetjes samen. Als hij zich niet vergistte zat er een kind langzaam heen en weer te zwaaien. De man keek om zich heen, geen ouders te bekennen. De voeten van het kindje raakten de grond niet eens.

De oude man besloot naar het ventje toe te lopen. Hij wist niet zo goed wat hem ertoe bracht, het tegenkomen van ander leven was zeldzaam. Het was alsof een magneet aan zijn benen trok. Dit kon zomaar het laatste kind op aarde zijn. Kinderen had hij al lang niet meer gezien; er was geen school meer. Misschien was iedereen gestopt met het krijgen van kinderen en was dit echt het laatste levende kleine wezen, of ze zaten allemaal binnen. Beide zou even erg zijn.

Toen hij enkele meters van de schommel verwijderd was keek de jongen op en schrok. Zijn handen klemden zich vast aan de touwen van de schommel.

‘Niet bang zijn, ik ga je geen pijn doen,’ zei de oude man. Hij knielde voor hem op de grond; de jongen liet de touwen los. ‘Hoe heet je?’

‘Jacob.’ Zijn stem was licht en zacht, het masker filterde de toon. Zijn kleren waren vies en gescheurd, de zolen kwamen los van zijn schoenen. Korte, blonde haren staken onder zijn gasmasker vandaan. Hij droeg een blauw shirt met een afbeelding van de aarde.

‘Hoelang ben je al buiten?’

Hij haalde zijn magere schouders op.

‘Ben je alleen?’

Hij knikte.

‘Waar zijn je ouders?’

‘Thuis.’

‘Thuis?’

‘Ze hebben me uit huis gezet.’

Het duurde even voor het bij hem binnenkwam. Uit huis gezet? Wie doet zoiets? Wie zet zijn eigen kind uit huis, in deze tijd?

‘Hoezo?’

‘Het eten was op.’

‘Konden ze niet om meer vragen?’

‘Dat hebben ze ook gedaan, maar ze hadden honger en ik was de jongste.’

 

Zij aan zij maakten ze de wandeling af. De oude man had hem zover gekregen met hem mee te lopen en bij hem thuis te slapen. Hij zou hem eten en onderdak geven. Dit was natuurlijk alleen een oplossing voor korte termijn. Wat hij later zou doen met het kind, wist hij nog niet, maar dat was voor latere zorg. Jacob in leven houden was het belangrijkst.

Het leek de oude man een goed idee een omweg te nemen. Hij wilde Jacob laten zien hoe de stad eruitzag. Tekst en uitleg geven. Misschien zelfs een paar plekken met overgebleven schoonheid bezoeken, om aan te tonen dat er ergens heus nog wel wat was om voor te vechten.

Voor de jongen was het de eerste keer buiten, maar in plaats van dat hij plezier had rolde er af en toe een traan over zijn wang. Het grijze aanzicht van de gebouwen en flats, de kapotte straten en aarde deden hem bijna doen verlangen naar thuis.

‘Wat zit er achter die grijze wolken?’

‘Een zon, jongen, maar dat is niet belangrijk, die zie je toch nooit.’

De oude man voelde zich op zijn gemak bij Jacob en dit leek wederzijds. Ze liepen door de stad alsof ze elkaar al hun hele leven lang kenden, zelfs bijna als vader en zoon. Hij wist niet waardoor het kwam. Zelf had hij nooit een kind gehad, hij had niks met kinderen. Misschien voelde hij zich verbonden, door de aarde op Jacobs shirt.

Bij het vallen van de schemering werd het tijd om naar huis te gaan. Eenmaal thuis trokken zij de gasmaskers van hun hoofden. Nu pas zag de oude man het gezicht van Jacob voor het eerst. Zijn ogen waren blauw, de kleur van de lucht die hij al zolang niet meer had gezien. Op zijn wang zat een verse snee. Hij besloot er niet naar te vragen. Jacob begon er niet over.

Ze aten broodjes knakworst, opgewarmd op het fornuis. Niet met gas, natuurlijk, maar onder het fornuis zat een houtkachel verstopt. Eens per maand kwamen ze met een busje hout brengen. Hij had tien broodjes gemaakt. Nog voordat de oude man zijn derde ophad, was het bord al leeg.

‘Sorry,’ fluisterde Jacob.

‘Jij moet nog groeien, jongen.’ De jongen sloeg zijn ogen verontschuldigend neer.

Na het eten zaten ze in stilte op de bank. De oude man had een boek voor zijn neus, de jongen speelde met het vlammetje van een kaars. Het vuur weerkaatste in zijn ogen, zijn wangen gloeiden. In zijn hoofd brandden de ideeën.

Ineens sloeg de man zijn boek dicht en bukte, met zijn arm voelde hij onder de bank. Jacob keek op.

‘Wat doet u?’ vroeg hij.

De man kreunde, maar het lukte hem een stoffige doos onder de bank vandaan te schuiven. Hij tilde het deksel eraf en haalde een leren fotoalbum tevoorschijn. Hij blies het stof de lucht in en gebaarde dat Jacob naast hem moest komen zitten. Die gehoorzaamde meteen.

‘Dit, jongen, heb ik jaren geleden uitgeprint. Foto’s van onze wereld. Tenminste, van hoe de aarde jaren terug was. Hou er maar een kaars bij, dan kun je het beter zien.’

Bij het licht van de kaars kwamen er watervallen voorbij, grote, Afrikaanse vlaktes en de Himalaya. Foto’s van puntige rotsten en besneeuwde gebergtes, foto’s van woeste zeeën en vulkanen. Van ijskappen en woestijnen. Van tijgers, beren, leeuwen en vogels.

‘Wat zijn dat?’

‘Dieren.’

‘Dieren?’

‘Vroeger waren wij niet de enige diersoort op aarde, maar voor de dieren waren er geen gasmaskers. Het ging allemaal te snel om ze binnen te brengen. Er was geen tweede Noach. Het is me wel gelukt om deze kanarie te redden.’ Hij wees naar de kanarie op zijn salontafel. ‘Als hij van zijn stokje valt, dan weet ik dat het klaar is.’

Jacob staarde vol ongeloof naar de foto’s. ‘Wat is er gebeurd?’

‘Niet ‘wat’, maar ‘wie’. Dit komt door onszelf. We hebben het zelf zover laten komen.’

‘Waarom zouden we onszelf dit aandoen?’

‘Wie zal het zeggen?’

‘Wat denkt u?’

‘Wil je dat echt weten?’

‘Dat zal ik u zeggen nadat u vertelt wat u denkt.’

De oude man zuchtte diep. ‘Oké dan. Ik denk dat we ons eigen graf gegraven hebben. Wij zijn te slim voor ons eigen bestwil. Het had beter voor ons en onze planeet geweest als wij nooit zo slim waren, als we waren blijven steken als holbewoners, toen wij nog niet boven aan de voedselketen stonden.

Toch is het logisch: je bent een holbewoner en ziet dat je vriend wordt opgegeten door een leeuw. Wat doe je? Je bouwt een houten hut om je te beschermen, maar deze hutten kunnen niet bewegen, dus we moeten op deze plek blijven. Dus hoe komen we aan eten als we steeds op dezelfde plek moeten blijven? Misschien kunnen we iets met planten. Ja, laten we dat proberen. Laten we koeien en varkens gevangen nemen, dan laten we ze kindjes krijgen en eten we die op. Dat kan ook.

Zo bouwden we onszelf naar de top, totdat er dorpen ontstonden en handel, steden, bijbels, goden, ruzies, oorlogen. Alles moest steeds een stapje verder. We konden het natuurlijk niet laten. Wat doe je als je merkt dat je slimmer bent, slimmer dan de rest op aarde? Je bouwt verder op de macht die je brein je verschaft. Wij snakten naar twee dingen: naar macht en geld. Dat zijn de grootste drijfveren van de mens, dat zijn de dingen waar wij op leven en die uiteindelijk ook onze dood zullen betekenen.

We bouwden fabrieken, loosden het afval in rivieren, omdat dit goedkoper was. Zo stierven de vissen. We stolen het eten van de dieren, zo stierven de leeuwen, tijgers, olifanten en giraffen. We warmden de aarde op, zo stierven de ijsberen. We vervuilden de lucht die we inademden, zo stierven de vogels.

Wat mij betreft sterven we allemaal. Ik ben er onderhand wel klaar mee. Met deze wereld zal het nooit meer goedkomen. Wij kunnen dit niet meer terugdraaien. Vroeger, toen de wereld nog zo was als in de foto’s, tóen kon het nog. Toen was er nog een kans dat deze wereld ergens zou komen.

Nu zou het voor de aarde het beste zijn als er geen mensen meer op zouden leven. Wij zijn te slim voor de aarde en de aarde te lief voor ons, maar wij weten niet om te gaan met de zachtaardigheid. Als wij allemaal van de aarde zouden zijn geveegd, kan moeder natuur rustig, in haar eigen tempo, herstellen. Dat is wat ik denk.’

Hij keek op naar Jacob, die met zijn benen opgetrokken angstig naar het vlammetje staarde. Hij richtte zijn blik op, zijn ogen waren waterig.

‘Komt het ooit nog goed?’ vroeg hij zacht.

‘Ik durf het je niet te vertellen, jongen. Ga nu maar slapen, het is al laat. Morgen weer een dag.’

Van zolder pakte de oude man een dik matras voor Jacob, dat hij op de grond legde. Het kussen waarop de jongen moest slapen was niet van hoge kwaliteit, maar hij had niets beters in huis. Voordat Jacob naar bed ging aaide hij door de tralies van het kooitje heen de kanarie. Hij fluisterde tegen hem, maar de oude man verstond niet wat. Net voordat de oude man op de bank in slaap viel dacht hij Jacob zachtjes te horen huilen.

 

De volgende ochtend, toen de oude man eenmaal wakker was en op de bank zat, was het matras leeg.

‘Jacob?’ riep hij. Geen antwoord. In het huis heerste een strenge stilte. De oude man stond op, doorzocht het hele huis, maar nergens was de jongen te bekennen. Terug in de huiskamer zag de oude man het shirt op de grond liggen. De jongen had het kapotgescheurd, zodat de aarde in tientallen kleine stukjes over de vloer verspreid lag.

De voordeur stond op een kiertje. Het gasmasker van de jongen lag nog naast zijn bed. De oude man voelde een steek in zijn hart. Toen hij naar de salontafel keek zag hij dat het kooitje van de kanarie open stond. Het vogeltje lag op de grond, met zijn nek hardhandig gebroken. In de tafel stond het volgende gekrast: ‘Het werd tijd. Het spijt me. Tot ziens.’

De man pakte de kanarie op, tranen vielen op zijn gele vacht. Voor een tijdje staarde hij naar de deur. Na enkele minuten legde hij het vogeltje neer, streelde nog even zijn vacht en liep toen naar de voordeur. Hij haalde diep adem.

‘Het is tijd,’ zei hij, trok de deur open en stapte de buitenlucht in. ‘Tijd voor iets nieuws.’

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *