‘Ik herinner me.’ De kracht van herinnering

‘Ik herinner me.’ De kracht van herinnering

Ik herinner me dat ik een tijdje geleden op een workshop een preek kreeg over herinnering. Onze herinnering, ons verleden en ons vermogen terug te denken zou het leven een betekenis, een opvulling geven.

Ik herinner me

Ik herinner me hoe ik als kleine jongen in een enorme zwarte laars kroop, waarin een labyrint van trappen en gangen verstopt zat. Het was in het land van ooit en die dag was het stikheet. Mijn moeder had erop aangedrongen dat ik genoeg moest drinken, maar ik weet nog dat ik daar een hekel aan had. Ik wilde simpelweg zo snel mogelijk spelen en van drinken moest ik alleen maar plassen.

Vanuit het binnenste van die laars kon ik mijn ouders niet zien, maar mijn verwachting was dat ze me die laars in hadden zien gaan, dat ze buiten op me stonden te wachten, met flesjes water. Ik herinner me hoe ik naar buiten kroop, onder het zweet, opstond en met grote ogen om me heen keek. Mijn ouders waren nergens te bekennen.

Ik herinner me dat ik dorst begon te krijgen. Ik weet niet of dat kwam doordat ik echt dorst had, of doordat mijn moeder de vrouw met het water was. Achteraf geloof ik dat het die tweede moet zijn geweest, anders had ik mijn tranen wel gedronken.

Ik herinner me dat ik  naar een jonge dame liep met een blauw shirt. Met trillende stem vertelde ik wat er was gebeurd. Zij riep wat om en ik herinner me dat ik vijf minuten later de warmte van mijn moeders lichaam voelde.

Ik herinner me dat ik de avondvierdaagse liep. Mijn moeder had het georganiseerd voor mijn klasgenoten, omdat de basisschool ermee was gestopt. Ik haatte het altijd wanneer mijn moeder iets voor andere kinderen deed. Ik herinner me dat ze eens de haren van een meisje aan het vlechten was en dat ik er toen tussen ging zitten. Ondanks dat ik enig kind was en al genoeg aandacht kreeg.

Ik herinner me hoe tijdens het lopen een klimrek me aanstaarde en hoe ik de verleiding erin te klauteren niet kon weerstaan. De groep, waarvoor mijn moeder verantwoordelijk was, had me niet gezien en liep door. Al snel was ik mijn moeder kwijt en begon ik achter de stroom lopende mensen aan te rennen. Ik vond haar niet meer terug.

Ik herinner me hoe ik naar een grote, brede man met een geel hesje liep. Het nummer van mijn ouders had ik uit mijn hoofd geleerd. Mijn moeder had het geluid van haar telefoon uitstaan en mijn vader had me een halfuur later met de auto opgehaald. Een week later kreeg ik mijn eerste telefoontje. Het was een ouder model, een klaptelefoon. Mijn moeder beloofde dat ik altijd kon bellen als ik haar kwijt was, om haar stem te horen.

Ik herinner me een reis naar Parijs. Ik was al wat ouder, vijftien, en we waren op de terugweg van een lange vakantie. De Eiffeltoren had in de zon gestraald de Mona Lisa had mooi gelachen. Voordat we de auto in waren gestapt maakten we nog grapjes over het feit dat ze me niet kwijt waren geraakt.

Ik herinner me een tankstation. Mijn moeder had erop aangedrongen dat ik veel moest drinken, dus het was niet gek dat ik nodig moest plassen. Enkele minuten later liep ik terug naar de stations, maar de auto was weg. Met zweet op mijn voorhoofd liep ik om het gebouw heen, naar de parkeerplek. Hier heb ik tien minuten gezocht, voordat ik moest toegeven dat ze weg waren gereden.

Ik herinner me dat ik met het klaptelefoontje belde, mijn moeders zachte, lichte stem aan de andere kant van de lijn hoorde en een uur later tot mijn opluchting weer in de auto zat.

Ik herinner me dat ik uit huis ging. De studie was aan de andere kant van het land en iedere dag heen en weer reizen was geen optie. Het was eng, ik was nu verantwoordelijk voor mezelf, er waren geen ouders meer om me op te halen als ik ergens was gestrand, geen ouders om voor me te zorgen, geen ouders die mijn rekeningen betaalde. Aan de andere kant: er waren geen ouders meer om kwijt te raken.

Ik herinner me de belofte van mijn moeder, dat ik haar altijd kon bellen en haar stem kon horen. Dat was nu niet meer nodig, ik kon alles zelf, dus ik stopte het oude klaptelefoontje, dat ik al die jaren trouw had meegedragen, ergens diep weg in de kast.

Ik herinner me een avond stappen in de stad van mijn studie. Het bier werd me te veel en nadat ik had overgegeven in het toilet van de stamkroeg besloot ik aanstalten te maken om terug naar huis te gaan. Niet mijn huis in Groningen, want ik was met mijn dronken kop vergeten dat ik daar een huis had.

Ik herinner me dat ik halsoverkop de trein naar Rotterdam haalde. Het was een lange rit, waardoor ik door het wiebelen van de trein bij aankomst alweer was ontnuchterd. Ik stapte uit en strompelde naar het volgende perron, om daar de laatste trein naar mijn dorp te pakken. Net voordat ik in kon stappen gingen de deuren dicht en stoof hij weg in de donkerte van de nacht.

Ik herinner me dat ik mezelf vervloekte. Mijn telefoon zat niet in mijn zak. De weg naar mijn dorp was ongeveer drie uur lopen, maar ik had absoluut geen zin om mijn slaap op een bankje in het centrum van Rotterdam te pakken, dus ik begon aan een lange tocht.

Ik herinner me hoe ik drie uur lang haar stem miste, hoe ik wenste dat ik mijn klaptelefoontje bijhad en haar kon bellen. Niet eens zodat ze me op kon halen, want ik was toch al aan het lopen, maar gewoon om haar stem te horen. Al was het nog maar één keer.

Ik herinner me het telefoontje van mijn vader. Ik herinner me hoe zijn stem en mijn wereld haperde. Ik herinner me hoe ik op mijn bank zat in een grijze kamer. Ik herinner me hoe ik opstond en naar de kast liep, hoe ik het telefoontje pakte. Ik herinner me haar naam: mama. Ik herinner me hoe ik belde en hoe een oneindig lange toon aan de andere kant van de lijn antwoordde. Ze had gelogen. Ik herinner me haar stem niet meer.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *